Pastoor Alfons AriŽns

  De rooms-katholieke priester Alfons AriŽns (1860-1928) was de grondlegger van de katholieke arbeidersbeweging. Als ťťn van de eerste geestelijken stelde hij dat het bestrijden van armoede geen kwestie is van liefdadigheid maar van sociale gerechtigheid.

Alphonse Marie Auguste Joseph AriŽns werd op 26 april 1860 geboren in Utrecht. Zijn vader was advocaat en zijn moeder telg uit een vooraanstaande zakenfamilie. Het gezin bestond uit tien kinderen. Alfons was de vijfde. Voor een groot deel bracht hij zijn jeugdjaren door op Rolduc, een rooms-katholieke kostschool in Kerkrade voor jongens uit gegoede families.
  De jonge AriŽns kon goed leren, maar was vanwege zijn verlegenheid en nervositeit niet echt populair. Na het behalen van het gymnasiumdiploma studeerde hij filosofie, ook op Rolduc, en vervolgens theologie aan het grootseminarie Rijsenburg in Driebergen. Daar werd hij eveneens gepest; vanwege zijn grote wijduitstaande oren noemden medeseminaristen hem OriŽns. Door zijn voorbeeldige studieresultaten en zijn vriendelijkheid won hij echter aan gezag. AriŽns werd op 15 augustus 1882 tot priester gewijd en kreeg van zijn familie een kostbare miskelk.

Vervolgens vertrok hij naar Rome, waar hij dogmatiek studeerde en in 1885 promoveerde tot doctor in de theologie. Vervolgens reisde hij een jaar door ItaliŽ om de arbeidsomstandigheden te bestuderen. Daar werd zijn sociaal engagement aangewakkerd toen hij zag waar het kapitalisme in zijn ergste vorm toe kan leiden: kinderarbeid, mensonterende werkomstandigheden en bittere armoede in de volkswijken.

In 1886 keerde hij terug naar Nederland. Hij werd benoemd tot kapelaan in Enschede. De kerk stond in een volkswijk; Enschede had er als textielstad vele. Het proletariaat was omvangrijk en de bovenlaag klein. Aangegrepen door sociale wantoestanden als uitbuiting, extreme armoede, vrouwenmishandeling en alcoholisme ging AriŽns consequent aan de kant van de arbeiders staan. Zijn opstelling was voor een geestelijke in die tijd bijzonder; de baanbrekende encycliek Rerum Novarum (1891) van Leo XIII waarin de paus opkwam voor de rechten van arbeiders, moest immers nog geschreven worden.

AriŽns werkte continu om het lot van de arbeiders te verbeteren en spoorde hen aan zich te organiseren. Een eigen vakorganisatie was volgens hem nodig om de arbeiders tegen zowel de socialisten als de werkgevers te kunnen beschermen. Dat werd de R.K. Twentsche Fabrieksarbeidersbond. Het motto van AriŽns was: 'Alles voor de arbeiders, alles door de arbeiders'. Daarom wilde hij van de bond geen voorzitter worden, maar geestelijk adviseur. Het was de eerste katholieke vakbond van het land en AriŽns richtte het weekblad De Katholieke Werkman op, een middel om bekendheid te geven aan de bond en om nieuwe leden te werven en zo te behoeden voor het socialisme, want deze ideologie werd door AriŽns net zo verworpen als door de kerkelijke autoriteiten van die tijd.

In 1895 wist AriŽns de katholieke vakbond te integreren in de interconfessionele katoenbewerkersbond Unitas. Dat deed hij omdat werkgevers katholieke en protestantse arbeiders tegen elkaar uit probeerden te spelen. Maar de aartsbisschop van Utrecht, zijn superieur, was niet enthousiast over deze nieuwe bond, die hij voor katholieken dan ook verbood.

Ook richtte AriŽns, naar Engels voorbeeld, een organisatie voor drankbestrijding op. Met enkele andere verenigingen ging dit Kruisverbond in 1899 op in de federatie SobriŽtas.

Voor ontslagen arbeiders richtte AriŽns in 1895 te Haaksbergen een coŲperatieve textielfabriek op, De Eendracht. Toen De Eendracht in financiŽle moeilijkheden raakte, ging AriŽns als vertegenwoordiger van zijn coŲperatie werken en tenslotte verkocht hij zijn miskelk ten bate van de fabriek, maar dit mocht allemaal niet baten en het bedrijf moest worden opgeheven.

Op 20 mei 1901 werd AriŽns benoemd tot pastoor in Steenderen. Na zelfmoord van een parochiaan als gevolg van ernstig drankmisbruik, gaf hij aan dat het goed zou zijn een R.K. vereniging tegen drankmisbruik op te richten. Hij vond dat de boerenknechten een hoger loon moesten ontvangen, en ook moesten ze hetzelfde eten als de boeren, vond hij. In 1903 was het mede aan zijn inspanningen te danken dat de gemeentearbeiders van Steenderen loonsverhoging kregen en meer vrije dagen.

In 1908 werd AriŽns benoemd in Maarssen, waar hij tot 1926 pastoor bleef. Met de Utrechtse aartsbisschop Henricus van de Wetering kon hij niet goed overweg. Deze bisschop moest weinig hebben van de sociale beweging en vond AriŽns' sociale activisme overdreven. Pas later prees hij het werk van AriŽns openlijk en zag ook Van de Wetering de noodzaak van activisme ten behoeve van de sociale rechtvaardigheid in.

In 1919 werd pastoor AriŽns benoemd tot Geheim Kamerheer van Zijne Heiligheid de Paus (Paus Benedictus XV) en werd zodoende bevoegd de titel 'Monseigneur' te dragen alsmede het zogenaamde 'klein paars' (priestertoog/soutane met paarse knopen en biezen, bonnet met roodpaarse kwast). Bij zijn veertigjarig priesterjubileum in 1922 kocht de R.K. parochie van Maarssen zijn miskelk terug om deze aan AriŽns te schenken. Deze kelk gebruikte priester AriŽns dagelijks om de Mis op te dragen. De kelk wordt in de Heilig-Hartkerk van Maarssen bewaard.

In 1928 trok AriŽns zich wegens zijn slechte gezondheid terug in een klooster bij Amersfoort, waar hij op 7 augustus op 68-jarige leeftijd overleed, voorzien van de sacramenten der stervenden en in aanwezigheid van zijn confraters. Omdat hij tijdens zijn studietijd in Assisi lid geworden was van de Derde Orde van Sint Franciscus, werd zijn dode lichaam gehuld in een franciscaner pij. AriŽns is begraven op het katholieke kerkhof in Maarssen. Op zijn grafsteen staat slechts 'ARIňNS PRIESTER'.

  AriŽns op verschillende leeftijden